Leren duiken

Brevetten

Onze 2* duiker


  1. Definitie
  2. Opleiding: deelnemingsvoorwaarden
  3. Zwembadproeven
    1. Zonder fles
    2. Met fles
  4. Theorie
  5. Openwaterproeven
  6. Duikleidingen
  7. Examen
  8. Beperkingen
    1. Diepte
    2. Duikleider

1 Definitie

Een 2*D:

  • heeft enige onderwater ervaring opgedaan.
  • kan manifeste duikongevallen herkennen en er adequaat op te reageren.
  • is in staat onder leiding van een ervaren duiker alle recreatieve duiken uit te voeren, hij moet kunnen functioneren volgens het buddy-systeem van de CMAS.
  • kan als duikleider fungeren bij eenvoudige duiken.

2 Opleiding: deelnemingsvoorwaarden

  • Lid zijn van een NELOS-club.
  • 1*D zijn.
  • Minimum leeftijd: 14 jaar.
  • Medisch geschikt zijn.

3 Zwembadproeven

3.1 Zonder fles

  • 200m zwemmen
  • 20m in apnea
  • 1 maal masker ledigen
  • 30 sec. stilstaande apnea

3.2 Met fles

  • Gecombineerde proef
  • 4 maal 10m tussen 2 flessen
  • 30m wisselademhaling
  • Proef met trimvest en 2de ontspanner

4 Theorie

Een 2*duiker moet:

  • Een elementair inzicht hebben in de structuur en de brevetten van de federatie (2 liga’s). Hij moet bovendien de belangrijkste voordelen van de aansluiting bij een club, aangesloten bij de liga kennen, (verzekering/CMASerkenning van de brevetten e.d.).
  • Noties hebben van het mechanisme van de bloedsomloop en van de manier waarop de ademhaling tot stand komt.
  • De bouw van het menselijk oor kennen (zonder details) en de drukveranderingen die het ondergaat tijdens het duiken(equilibreren).
  • De samenstelling van lucht kennen (20-80).
  • De kennis bezitten van het begrip druk:
    • eenheid (bar)
    • soorten (hydrostatisch/atmosferische/absolute/relatieve)
  • Elementaire kennis bezitten van de wet van Boyle & Mariotte en de toepassingen ervan in de duiksport.
  • Elementaire kennis bezitten van de wet van Archimedes en zijn praktische toepassing ervan in de duiksport.
  • Kennis hebben van de invloed van de druk op het oplossen van gassen in vloeistoffen.
  • Weten dat er uitfiltering van kleuren is in water en dat alle objecten groter en dichterbij lijken dan zij zijn.
  • Weten dat men onderwater de richting van waaruit een geluid komt niet kan bepalen.
  • Het hyperventilatiemechanisme en de gevaren ervan kennen en begrijpen.
  • Het principe van longoverdruk kennen, de symptomen herkennen en de levensnoodzakelijke acties kunnen ondernemen.
  • Het principe van duikkolieken kennen, de symptomen kunnen herkennen en de behandeling kunnen toepassen.
  • Het principe van squeeze (masker en duikpak) kennen, de symptomen herkennen, het kunnen voorkomen en de behandeling kennen.
  • Het mechanisme en de oorzaken van het decompressieongeval kennen; de symptomen herkennen (zonder meer) en de levensnoodzakelijke acties kunnen ondernemen.
  • De bezwarende factoren van het decompressieongeval kennen.
  • Het principe van “dronkenschap der diepte” (stikstofnarcose) kennen, in staat zijn om symptomen te kunnen onderkennen en er gepast op te kunnen reageren.
  • Oorzaken en symptomen van het buiten adem zijn kennen en er gepast op kunnen reageren.
  • De gevaren van de vrije duik kennen en weten hoe ze te voorkomen.
  • De techniek van de mond aan mond beademing en de hartmassage kunnen toepassen (zonder meer).
  • Grondige kennis bezitten van de vereisten die aan het basismaterieel worden gesteld.
  • De belangrijkste vermeldingen op de duiktoestellen en de wettelijke bepalingen kennen.
  • Praktisch gebruik en onderhoud van het courante duikmaterieel kennen (ontspanner, dieptemeter, trimvest + trimvest, kompas, kranen, lamp, duikpak, duikmanometer) enz.
  • Het gebruik van de tabel voor enkelvoudige duiken en de tabel voor opeenvolgende duiken kennen en dit in frequent voorkomende en eenvoudige toepassingen.
  • De uitzonderingsregels kennen.
  • De verplichte duiktekens (CMAS) kunnen toepassen.
  • Weten hoe zich te gedragen tijdens de duik (bv. op reserve gaan, verlies van de ploeg, plaats in de ploeg).
  • Weten wat de functies van de rangsluiter zijn.
  • Het gemiddeld luchtverbruik kunnen berekenen.

5 Openwaterproeven

  • B1 500m palmen
  • B2 Stijging van zone(13-15) tot aan de oppervlakte
  • B3 Redding van zone(8-10) tot aan de oppervlakte – 50m slepen – CPR - O2
  • B4 Stijgen op 2de ontspanner van zone(13-15) naar de oppervlakte

6 Duikleidingen

Drie elementaire duikleidingen (BL1,2,3)

7 Examen

  • Mondeling of schriftelijk examen.
  • Theorie examen wordt samengesteld en verbeterd door minstens een 1*I.
  • Praktijkexamen wordt voorgezeten door minstens een 1*I.
  • Homologatie na geslaagd te zijn in de theoretische en zwembadproeven, alsook in de openwaterproeven en na een totaal van 15 duiken gedaan te hebben.

8 Beperkingen

8.1 Diepte

  • Onder begeleiding van minstens een 3*D: 30m
  • Als duikleider van een andere 2*D: 20m

8.2 Duikleider

Een 2*D mag als duikleider functioneren onder de volgende restricties:

  • Elke duiker moet 18 jaar zijn.
  • Elke duiker moet tenminste 3 duikleidingen gedaan hebben.
  • Er is ten hoogste 1 mededuiker.
  • Het mag geen bijzondere duik betreffen (zoals omschreven in het veiligheidsreglement hoofdstuk “Bijzondere duiken”)
  • De duikplaats moet hem/haar bekend zijn
  • Bij een duik met beperkte zichtbaarheid en/of stroming (Zeeland en steengroeven) moet een instructeur ter plekke zijn goedkeuring geven.
  • Het mag geen decompressieduik zijn.