Leren duiken

Brevetten

Onze 3* duiker


  1. Definitie
  2. Opleiding: deelnemingsvoorwaarden
    1. Deelnemen aan examens en proeven
    2. Voor homologatie
  3. Zwembadproeven
    1. Zonder fles
    2. Met fles
  4. Theorie
  5. Openwaterproeven
  6. Duikleidingen
  7. Examen
  8. Beperkingen
    1. Diepte
    2. Duikleider

1 Definitie

Een 3*D

  • moet in staat zijn "zelfstandig" te duiken.
  • is in staat duiken te leiden die geen uitzonderlijke moeilijkheidsgraad hebben (bv. geen duiken met volslagen beginnelingen,...)
  • hierbij moet hij alle veiligheidsmaatregelen kunnen treffen, alle duikongevallen kunnen herkennen en er gepast op kunnen reageren.

2 Opleiding: deelnemingsvoorwaarden

2.1 Deelnemen aan examens en proeven (theorie, zwembad, OW-proeven en duikleidingen)

  • Lid zijn van een NELOS-club.
  • 2*D zijn
  • Minimum leeftijd: 16 jaar.
  • Medisch geschikt zijn.

2.2 Voor homologatie

  • 6 maand 2*D zijn.
  • Minstens 30 duikuren hebben.
  • In het totaal gedaan hebben:
    • 60 duiken
    • 40 duiken tussen 10 en 30 meter
    • 25 duiken in de zone(25-30).
    • 4 duiken in Zeeland of in een ander getijdenwater met beperkte zichtbaarheid.
    • 4 duiken vanaf een boot.
    • Cumulatie van deze duiken is toegelaten.

3 Zwembadproeven

3.1 Zonder fles

  • 2 maal masker ledigen
  • 25m in apnea
  • 45 sec. stilstaande apnea

3.2 Met fles

  • Gecombineerde proef
  • Ster met 4 duikers
  • 60m met 2 duikers op één fles
  • 20m in apnea.
  • 4 maal 20m tussen 2 flessen

4 Theorie

  • Een elementair inzicht hebben in de structuur en de brevetten van de federatie (2 liga’s). Hij moet bovendien de belangrijkste voordelen van de aansluiting bij een club, aangesloten bij de liga, kennen (verzekering/CMASerkenning van de brevetten e.d.)
  • De mechanismen van de bloedsomloop en van de ademhaling in verband kunnen brengen met de duiksport.
  • De bouw van het menselijk oor kennen (zonder details) en de drukveranderingen die het ondergaat tijdens het duiken(equilibreren).
  • De samenstelling en het gewicht van lucht kennen (20-80) en de rol van de gassen bij de stofwisseling.
  • Eenvoudige berekeningen kunnen maken met het begrip druk.
  • De wet van Boyle & Mariotte kennen en begrijpen en alle courante toepassingen ervan in de duiksport kunnen verklaren.
  • De wet van Archimedes kennen en begrijpen en alle courante toepassingen ervan in de duiksport kunnen verklaren.
  • De wet van Henry kennen en de verbanden tussen deze wet en het decompressieongeval inzien.
  • De wet van Dalton kennen en begrijpen (kennis bezitten van het begrip partiële druk).
  • Weten dat er uitfiltering van kleuren is in water en dat alle objecten groter en dichterbij lijken dan zij zijn.
  • Het gedrag van geluidsgolven onder water kennen alsook de gevaren ervan tijdens het duiken inzien.
  • Het mechanisme van de hyperventilatie kennen en begrijpen alsook de gevaren ervan.
  • Het principe van longoverdruk kennen en begrijpen, de symptomen kunnen herkennen en de levensnoodzakelijke acties kunnen ondernemen.
  • Het principe van duikkolieken kennen en begrijpen, de symptomen kunnen herkennen en de noodzakelijke acties kunnen ondernemen.
  • Het principe van squeeze kennen, de symptomen kunnen herkennen, het kunnen voorkomen en de behandeling kunnen toepassen.
  • Elementaire kennis bezitten van hyperoxie. (weten dat er een toxisch effect bestaat van O2 onder druk).
  • Inzien hoe een decompressieongeval ontstaat; de symptomen kennen, de levensnoodzakelijke acties kunnen ondernemen en de behandeling kennen.
  • De bezwarende factoren van het decompressieongeval kennen.
  • Het verschijnsel dronkenschap der diepte kennen en begrijpen; in staat zijn om symptomen en voortekenen tijdens de duik te onderscheiden en er gepast op te reageren.
  • Elementaire kennis bezitten van CO- en CO2 vergiftigingen.
  • De principes van verdrinking kennen en begrijpen (uitgestelde verdrinking ...)
  • In staat zijn een reanimatie uit te voeren ( mond-aan-mond beademing en hart massage).
  • De oorzaak van het buiten adem zijn kennen en de gepaste reacties vertonen.
  • De gevaren van de vrije duik kennen en begrijpen en weten hoe ze te voorkomen.
  • Kennis hebben van de belangrijkste vermeldingen op de duiktoestellen en de wettelijke bepalingen.
  • Elementaire kennis bezitten van het werkingsprincipe van de mondontspanner.
  • Het praktisch gebruik en onderhoud van het courante duikmaterieel kunnen uitvoeren (ontspanner, dieptemeter,trim - en trimvest, kompas, kranen, lamp, duikpak, duikmanometer) enz.
  • Het gebruik van de tabel voor enkelvoudige duiken en de tabel voor opeenvolgende duiken kunnen toepassen (incl. duiken met inspanning).
  • Kennis bezitten van de uitzonderingsregels en de andere gebruiksregels.
  • In staat zijn als duikleider een briefing te geven, voor de courante duiken in zijn regio.
  • De functie van rangsluiter kunnen waarnemen.
  • Inzicht hebben in de organisatie van een duik.
  • Inzicht hebben in de organisatie van een duik met een boot.
  • Inzicht in de organisatie van een duik in getijdenwaters.

5 Openwaterproeven

De proeven op 30 m mogen pas afgelegd worden na het behalen van de vereiste 25 duiken op minstens 30 m.

  • C1 1000m palmen
  • C2 Opstijgen van zone(25-30) aan 10 m/min + OSB
  • C3 Redding van zone(8-10) tot 0 m + 100m + slepen + CPR + O2
  • C4 Zone(25-30): statische wisselademhaling + stijgen op 2de ontspanner naar opp.
  • C5 Redding van zone(25-30) tot 10m

6 Duikleidingen

  • CL1 en CL2: duikleiding zonder bijzondere specificaties
  • CL3: duikleiding met gebruik OSB en kompas
  • CL4: duikleiding in de Oosterschelde met gebruik OSB en kompas

7 Examen

  • Schriftelijk theoretisch examen.
  • Jury samengesteld uit minstens 1*I.
  • De zwembadproeven moeten binnen de 45 min uitgevoerd worden.

8 Beperkingen

8.1 Diepte

  • Mag duiken tot maximum 40m
  • Uitzondering: mogen duiken tot maximum 57m:
    • alle 3*D die hun brevet behaald hebben voor 01/02/2005
    • alle 3*D die hun brevet behaald hebben voor 01/01/2006 en daarenboven aan de volgende voorwaarden voldoen:
      • voor 01/01/2005:
        • 2*D zijn
        • Duikervaring hebben van minstens 120 duiken
        • Volledige dieptekwalificatie oud systeem hebben
      • Voorgedragen worden door de duikschoolleider of door de voorzitter in geval de club geen duikschool is. Deze voordracht wordt vergezeld van kopie van het logboek.

8.2 Duikleider

Een 3*D mag als duikleider functioneren voor:

  • Duikers vanaf 2*D.
  • Uitzondering: in de groep mag één 1*D zijn, als die minstens 15 duiken gedaan heeft